In een ogenblik verscheen ze daar aan de voet van de rivier,
Ze droeg een witte jurk, haar haren los en spelend met de wind,
Aan haar voeten droeg ze geen schoenen alleen nog de aarde,
Ze danst en zwaait en de hele wereld draait met haar mee.
Haar stralende lach, haar zachte handen die nog zachter strelen,
En ik die daar sta te kijken, een schouwspel der engelen,
Ze keek ook mij even aan, toverde een lach op mijn gezicht,
Overal was warmte en de zon, over was het vrolijk en licht.
Ze kuste mij en kuste meer, hield mijn handen vast,
Nog meer het eindeloze geluk van daar staan,
Samen met haar, in het eindeloze staren.
Ze kuste mij, nee jij kuste mij, zachtjes en teder,
Keer op keer, daar stonden wij, alleen jij en ik,
Ik sluit mijn ogen; en kort een gelukzalig zucht.